
groenling
De groenling komt vooral voor in een open landelijk gebied en aan de bosrand. Een geliefkoos plekje is de top van hoge bomen of sparren, waar het mannetje zit te zingen. Ze hebben zich echter heel goed aangepast aan de mens en zijn in de winter heel vaak te gast op de voedertafel in de tuin.
Groenlingen zijn krachtig gebouwde vinken met een zware, roze, conische snavel. mannetjes en vrouwtjes zijn verschillend van elkaar. bij een mannetje is de buik geel-groen, hij heeft gele vleugelbanen, gele handpennen en gele staatpennen. Een vrouwtje heeft een grijze buik en heeft minder geel in de staartpennen en vleugels. Hun voeding bestaat uit allerlei soorten zaden en bessen.
Groenlingen nestelen meestal in een boom of struik, in een takvork of tegen de stam. ze bouwen steeds een groot omvangrijk nest van plantenstengel, gras en mos. de binnenkant bekleden ze met veren , haren of plantenvezels. Ze leggen 4 to 6 eieren per broedsel en broeden 2 maal per jaar.